Immanuel Kant
(1724-1804) Duitse filosoof, kopstuk van de Verlichting. Kant was de zoon van een zadelmaker. Hij groeide op in een piëtistisch milieu en verbleef zijn hele leven in zijn geboorteplaats Koningsbergen (Kaliningrad). Daar studeerde hij filosofie, theologie en wis- en natuurkunde, was hij eerst huisleraar, vanaf 1755 privaatdocent en vanaf 1770 hoogleraar logica en metafysica. Hij leefde een streng geregeld leven dat geheel in dienst stond van de wetenschap.
Zijn filosofie is onder te verdelen in twee perioden. In de eerste, de voorkritische periode, voegt hij zich helemaal naar de traditionele filosofie, die in het teken staat van Leibniz. Hij houdt zich vooral bezig met kosmologische problemen. Hij ontwikkelt een nieuwe theorie over het ontstaan van het heelal: dat zou uit een oernevel zijn gevormd onder invloed van de zwaartekracht. Later werd deze theorie door de Franse natuurkundige Laplace, onafhankelijk van Kant, bevestigd. Ze staat bekend als de theorie van Kant-Laplace.
De publicatie van zijn hoofdwerk Kritiek van de zuivere rede in 1781 luidt de tweede periode in, de zogeheten kritische periode. In dit werk onderzoekt Kant de mogelijkheden en beperkingen van de menselijke kennis. Zekere en betrouwbare kennis is alleen mogelijk voor zover ze uitgaat van de ervaring. We kennen de werkelijkheid alleen voor zover ze aan ons verschijnt; hoe ze op zichzelf (an sich) is, weten we niet. Kant maakt dus onderscheid tussen het ding-op-zichzelf en de verschijning. Alleen die laatste kunnen we kennen. Hij wijst hiermee de traditionele metafysica af, die immers pretendeert kennis te leveren over de dingen die de ervaring overstijgen, het bovenzinnelijke. Het verstand construeert de wereld uit de zintuiglijke indrukken die met behulp van de twaalf categorieën worden geordend. Tijd en ruimte zijn geen reëel bestaande entiteiten, maar vormen van onze aanschouwing. Het kennen richt zich dus niet naar de dingen (zoals altijd werd aangenomen), maar de dingen richten zich naar het kennen. Deze geheel nieuwe kijk op het kenproces werd door Kant zelf de 'Copernicaanse wending' genoemd. In 1788 publiceerde hij zijn tweede hoofdwerk Kritiek van de praktische rede. Daarin zet hij zijn ethiek uiteen. Deze is strikt formeel: alleen dat handelen is moreel goed dat gehoorzaamt aan de zedenwet van de zuivere rede. Daarbij is het enige motief respect voor de plicht; alle andere motieven, bijvoorbeeld het streven naar geluk, of liefde voor de mensheid zijn uit den boze. De hoogste zedenwet, waaraan alle andere maximes moeten worden afgemeten, is de categorische imperatief.
Belangrijk voor de ethiek zijn de drie postulaten van de praktische rede, regulatieve principes die we zelf aan het zedelijk handelen ten grondslag moeten leggen. Het zijn: de onsterfelijkheid van de ziel, het bestaan van een hoogste goed - d.w.z. God - en de vrijheid van de wil. De mens moet dus handelen alsof hij vrij is, alsof hij onsterfelijk is en alsof God bestaat.
In 1790 verschijnt ten slotte zijn derde hoofdwerk Kritiek van de oordeelskracht, waarin hij onder andere zijn leer over het schone en het verhevene uiteenzet. Kant wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste moderne filosoof, zoals Plato dat was voor de antieke filosofie.
Wie was de eerste Nederlandse vrouw die arts werd en aan de universiteit promoveerde?
egocentrisme en egoïsme
Twee persoonlijkheidseigenschappen die door anderen als onplezierig en onaangenaam worden ervaren.
Bij egocentrisme is het alsof de persoon zich niet wil en kan verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belangstellingen van de ander. Alles wat gebeurt wordt uitsluitend gezien vanuit het ik, waarbij de eigen belangstellingen en belangen de waarneming beheersen en de communicatie met anderen eenzijdig kleuren.
Bij egoïsme wil de persoon zichzelf telkens bevoordelen, ook als dat ten koste van anderen gaat. De egoïst denkt zo min mogelijk aan de belangen en behoeften van anderen, ook als hij of zij dat wel kan. De egoïst haalt naar zich toe en geeft niet om of aan de ander.
Egocentrisme is een eigenschap van het waarnemen en denken, egoïsme van het handelen.
