Wittgenstein

Ludwig (1889-1951) Oostenrijks-Engels filosoof. Na een ingenieursstudie in Berlijn en Manchester studeerde hij in Cambridge logica onder Bertrand Russell, die hem meteen als uitzonderlijk begaafd zag en hem vroeg zijn assistent te worden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Oostenrijkse leger, zij het niet aan het front - in elk geval had hij voldoende tijd om na te denken, want tijdens een verlof in 1918 schreef hij in korte tijd zijn eerste hoofdwerk, Logisch-Philosophische Abhandlung, dat in 1922 in Engeland in een tweetalige editie (Engels en Duits) verscheen onder de titel Tractatus logico-philosophicus. In de jaren twintig onderhield hij contacten met leden van de Wiener Kreis. In 1929 vertrok hij definitief naar Engeland waar hij tot 1947 in Cambridge filosofie ging doceren. Daar bereikte hij al snel de status van genie: excentriek, moeilijk in de omgang, duister, maar onweerstaanbaar.
Er zijn in feite twee Wittgensteins (men spreekt dan ook van Wittgenstein I en Wittgenstein II), die van de Tractatus en die van de Logische Untersuchungen, zijn tweede hoofdwerk dat in 1953 postuum verscheen.
De Tractatus, een ongekend kort en ongekend ingewikkeld en ingedikt werk, gaat over de taal, het misbruik dat (vooral door filosofen) van de taal wordt gemaakt en over de taak - maar vooral over de grenzen - van de filosofie. Voor Wittgenstein I is de natuurwetenschap het enige type wetenschap dan tot zinvolle uitspraken in staat is, dat wil zeggen zij geeft een uitbeelding in taal van datgene wat het geval is. De werkelijkheid is dan niets anders dat het totaal van ware uitspraken van de natuurwetenschappen. De filosofie daarentegen kan geen uitspraken over de werkelijkheid doen. Het is haar taak het gebied van de natuurwetenschap af te bakenen en door middel van een logische analyse de taal van de natuurwetenschap te zuiveren. Nadat ze die taak vervuld heeft, is ze overbodig, zoals ook de Tractatus zelf overbodig is, nadat men zich de strekking ervan ter harte heeft genomen.
Wittgenstein II houdt zich bezig met de analyse van het alledaagse taalgebruik. De betekenis van een taaluitdrukking wordt voor een groot deel bepaald door context en situatie. Elke taaldaad kan slechts begrepen worden binnen kaders van een taalspel, waarvan de regels stilzwijgend worden voorondersteld. De filosofie van Wittgenstein II heeft een therapeutische functie: door de regels van de verschillende taalspelen expliciet te maken, wil hij laten zien hoe de taal functioneert, in de hoop dat daardoor veel filosofische problemen, die vaak voortvloeien uit misverstanden over de betekenis van taaldaden, vanzelf verdwijnen.
Wittgenstein I heeft een enorme invloed gehad op de ontwikkelingen binnen het logisch positivisme; de invloed van Wittgenstein II op de analytische filosofie is navenant.

Quizvraag v/d week

Woord v/d week

Meest gezocht deze week

Wie was de eerste Nederlandse vrouw die arts werd en aan de universiteit promoveerde?


JUIST!NIET JUIST!

Aletta Jacobs

egocentrisme en egoïsme

Twee persoonlijkheidseigenschappen die door anderen als onplezierig en onaangenaam worden ervaren.
Bij egocentrisme is het alsof de persoon zich niet wil en kan verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belangstellingen van de ander. Alles wat gebeurt wordt uitsluitend gezien vanuit het ik, waarbij de eigen belangstellingen en belangen de waarneming beheersen en de communicatie met anderen eenzijdig kleuren.
Bij egoïsme wil de persoon zichzelf telkens bevoordelen, ook als dat ten koste van anderen gaat. De egoïst denkt zo min mogelijk aan de belangen en behoeften van anderen, ook als hij of zij dat wel kan. De egoïst haalt naar zich toe en geeft niet om of aan de ander.
Egocentrisme is een eigenschap van het waarnemen en denken, egoïsme van het handelen.