Chomsky
Noam (1928) Amerikaanse taalkundige, grondlegger van en nog altijd centrale figuur binnen de generatieve taalkunde. Die probeert het aangeboren vermogen te doorgronden en te beschrijven dat alle mensen, ongeacht hun intelligentie, in staat stelt ongeveer even snel de taal van hun omgeving te leren. Daarmee verschoof het zwaartepunt binnen het taalkundig onderzoek van het zo gedetailleerd mogelijk beschrijven van talen, naar de vraag hoe pasgeborenen al die verschillende talen kunnen leren, kortom: naar de vraag wat de gemeenschappelijke basis van al die talen is. De taalkunde luidde door die invalshoek mede het begin in van wat later de cognitiewetenschappen ging heten: het onderzoek naar de werking van 'hogere hersenfuncties' zoals zien, geheugen, aandacht en bewustzijn.
Wie was de eerste Nederlandse vrouw die arts werd en aan de universiteit promoveerde?
egocentrisme en egoïsme
Twee persoonlijkheidseigenschappen die door anderen als onplezierig en onaangenaam worden ervaren.
Bij egocentrisme is het alsof de persoon zich niet wil en kan verplaatsen in de gedachten, gevoelens en belangstellingen van de ander. Alles wat gebeurt wordt uitsluitend gezien vanuit het ik, waarbij de eigen belangstellingen en belangen de waarneming beheersen en de communicatie met anderen eenzijdig kleuren.
Bij egoïsme wil de persoon zichzelf telkens bevoordelen, ook als dat ten koste van anderen gaat. De egoïst denkt zo min mogelijk aan de belangen en behoeften van anderen, ook als hij of zij dat wel kan. De egoïst haalt naar zich toe en geeft niet om of aan de ander.
Egocentrisme is een eigenschap van het waarnemen en denken, egoïsme van het handelen.
